Jan de Jonge (63) was 21 jaar toen hij begon bij Schenk. “In het begin reed ik in de zomer in korte broek en een overhemd; bedrijfskleding was er nog niet”, trapt hij af. Piet Schenk, Arie Schenk, de zand- en grindtijd, hij heeft het allemaal meegemaakt.

“Ik wilde eigenlijk buschauffeur worden, maar de kans om bij Schenk te werken liet ik niet liggen. Ik reed in tankwagens, kiepauto’s en bakwagens. Als er tijd over was hielp je mee in de werkplaats. Olie verversen, banden opsnijden, enz. Dat had voordelen, ik kon onderweg zelf repareren als er iets mis was.”

In de sloot

Het vervoer van huisbrandolie hoorde erbij. “De eerste keer moest ik naar Den Haag naar 19 adressen. Een moeilijke stad om adressen te vinden, ik heb de helft nog niet gehaald.” Als we het over contaminatie (foute combinatie van vloeistoffen, bijvoorbeeld wanneer diesel bij benzine wordt gelost) hebben, refereert hij aan een oplegger met 14 kranen. “Ja, dan moet je wel opletten.” In de begintijd had hij een ‘klein’ probleem toen hij met een wagen in de sloot terecht was gekomen. Hij vreesde de toorn van Arie Schenk en het einde van zijn dienstverband. Nadat de auto op het droge was, oordeelde Arie Schenk ter plekke dat er geen schade van betekenis was en kreeg het advies om door te rijden. Terecht, zoals later bleek, Arie Schenk nam hem niets kwalijk. “Dat kan toch gebeuren”, was zijn commentaar. Adressen stonden op een kladje en je had een werkboekje. “Ik moest eens met een lading perspijpen naar Friesland. Naar een weiland, zonder adres en postcode in opzettende mist. Gevraagd aan een voorbijganger bleek ik er vlakbij te staan; puur geluk.”

Nog een tijdsbeeld; “de chauffeurs leverden het basissalaris in de loonzakjes keurig thuis af. De rest verdween nog weleens in het café. Bij afschaffing van de loonzakjes ging alles via de bank; toen viel er thuis het één en ander uit te leggen.” Jan werkt nog twee of drie dagen per week als springer (chauffeur zonder vaste wagen, dagelijks of wekelijks op een andere vrachtwagen) en dat bevalt hem prima. Elke dag een andere auto, dat vind ik het leukst. Ik heb weleens een halfjaar dezelfde route gereden, niets voor mij. Sleur, daar houd ik niet van.” Een van zijn specialiteiten is het vervoer van kerosine naar vliegvelden. “Ik heb ze allemaal gehad in Nederland en België.”

Wat dacht je?

Op het gebied van tankopleggers heeft hij alles meegemaakt. Kleppen bediend met een hendel met een staalkabel, daarna hydraulisch en toen op lucht. Hij heeft ook de huidige directie Harry en Arjan op jonge leeftijd meegemaakt. Als kinderen wilden ze dolgraag met hem meerijden. Om de beurt. Of dat ruzies heeft opgeleverd onder de broers? “Wat dacht je?” Jan zou met vervroegd pensioen kunnen gaan, maar: “Ik zit niet op de geraniums te wachten, daarvoor vind ik het werk nog veel te leuk. Schenk is een familiebedrijf. Ook al ben je geen familie, het voelt wel zo. Je bent nauw verbonden met het bedrijf. Ik ben een echte Schenkman.”